Nadat Prometheus het vuur van de goden stal en het aan de mensen gaf, strafde de goden de mensen met de doos van Pandora (zie één van mijn eerdere verhalen/blogs). Maar behalve dat, strafden de goden ook Prometheus voor het breken van de regels. Dit is het verhaal over hoe het hem vergaat.
———————————————————————————————-
De vette vogel landde op de rots en keek naar de man die daarop vastgebonden lag. Zijn snavel was zo krom als een vishaak. Zijn grote, goudkleurige ogen schitterden in de zon. “Alle kraaien nog aan toe! Wat een heerlijke verassing!” kraste de adelaar. Als hij lippen had gehad, dan had hij ze afgelikt. In plaats daarvan ging zijn puntige tong langs zijn snavel. De jonge gevangene tilde vermoeid zijn hoofd op. hij was een knappe jongeman, die alleen gekleed was in een lendendoek. Hij knipperde tegen de felle zon en staarde naar de vogel. “Donder op!” snauwde hij.
De vogel hipte van zijn ene poot op de andere, zo heet was de rots. “Zeg, let een beetje op je woorden, wil je? Ik ben een adelaar – koning van de vogels!”
“Sorry hoor,” zei de man spottend. “Ik bedoelde natuurlijk: Donder op, Hoogheid!”
de adelaar schokschouderde. “Je hoeft niet meteen kwaad te worden. Ik doe gewoon mijn werk. Een vogel moet doen wat een vogel moet doen.”
“En ik heb er genoeg van dat ieder gevederd beest van de berg Olympus hier naar toe komt, naast me neerploft en me aan gaat zitten staren,” beet de gevangene hem toe. De vogel haalde eens diep adem en zette gewichtig zijn borstveren op. “Ik ben hier met een missie. Een of andere ouwe gek op de bergtop heeft me hierheen gestuurd.”
“Op de bergtoppen wonen alleen maar goden,” zei de man.
“Ook goed, dan heeft een of andere ouwe god me hierheen gestuurd. Een grote vent met lang, wit haar en een joekel van een baard.”
“Zeus!”
“Kan wel… in ieder geval zei hij tegen me: ‘Als je naar die rots vliegt, zie je daar de jonge Prometheus vastgebonden liggen’,” ging de vogel verder.
“Ik ben Prometheus! Heeft de oppergod Zeus me dan vergeven? Kom je me dat vertellen? Ben ik een vrij man?”
“Nou, nee. Die ouwe vent zei dat ik hierheen moest gaan en je lever moest opeten.”
“Mijn lever opeten?” De jonge god kreunde.
“Ik heb hem niet tegengesproken, dat snap je,” grinnikte de adelaar. “Ik hou wel van verse lever. En vooral als die gebakken is met uitjes.”
“Maar dat wordt mijn dood!” riep Prometheus uit. “Welnee. Je bent onsterfelijk! Een echte over-lever. Ha, ha, ha,” kakelde de vogel.
De god knipperde omdat het zweer hem in de ogen liep. “Maar dat doet pijn,” slikte hij.
“Jammer dan,” kraste de vogel en hij kwam een stap dichter naar zijn slachtoffer toe. “Je hebt zeker nogal wat uitgevreten dat je dit hebt verdiend?”
Prometheus keek zuchtend naar de brandende zon. “Vroeger kon ik me net zo door de lucht bewegen als jij. Op een dag ben ik naar de zon gevlogen en heb ik haar vuur mee naar de aarde genomen.”
“Goed plan van jou… anders had ik nu je lever rauw moeten opeten.” De vogel grijnsde gemeen.
“Ik heb het vuur aan de mensen te leen gegeven,” ging de jonge god verder,
“Aardig van je,” vond de adelaar.
“Nou ja, maar Zeus had me verbóden om mensen vuur te geven. Hij was woest! En voor straf werd ik op deze rots vastgeketend.”
“En bovendien ga ik je lever opeten,” hielp de vogel hem herinneren.
“Moet dat echt?” zuchtte Prometheus.
“Alle kraaien nog aan toe! Je bent toch een held, of niet soms? Zit niet zo te piepen en laat me even rustig eten.” De vogel boog zich voorover en Prometheus begon te schreeuwen. Toen de vogel klaar was, greep hij de lever in zijn klauwen en spreidde zijn vleugels. De bergwind tilde de adelaar op en langzaam zeilde de vogel naar boven. “Tot morgen, Prometheus!” riep hij.
“Tot morgen?” kreunde Prometheus. “Welk deel van me ga je morgen dan opeten?”
“Hetzelfde,” kraste de adelaar. “Dat is juist je straf. Je lever groeit gewoon weer aan. Morgen kom ik terug en dan eet ik hem weer op… en overmorgen… en over-overmorgen… tot in de eeuwigheid! Nou, tot ziens, hè”
Prometheus draaide zijn hoofd zo dat hij naar zijn buik kon kijken. Het was niet te zien dat de adelaar zijn lever eruit had gehaald.
Elke dag kwam de adelaar terug. Dag in dag uit, maand in maand uit, jaar in jaar uit. Tot op een dag…
“Hoi Prom!” riep de adelaar vrolijk toen hij op de zonovergoten rots landde.
“Hoi Aad,” grinnikte Prometheus.
De adelaar deed een stap achteruit. “Eh… je ziet er nogal gelukkig uit vanmorgen, Prom.”
De jonge god knikte opgetogen. In zijn ogen blonk een gemeen lichtje. Opeens schoot zijn hand uit en hij greep de dikke nek van de vogel beet.
“Iek!” piepte de adelaar. “Waar zijn je kettingen?”
“Er kwam een goede vriend langs en die heeft ze kapot getrokken.” Prometheus grinnikte terwijl zijn hand zich nog strakker om de nek van de vogel sloot.
Een reusachtige man kwam vanachter de rots te voorschijn. Je zag zijn spieren rollen als golven in de zee.
“Mag ik je voorstellen aan Hercules,” zei Prometheus. “Hij is de grootste held aller tijden.”
“Aangenaam kennis te maken, Herc,” hijgde de adelaar. “Eh… ik moet terug naar mijn nest, Prom, dus wil je zo goed zijn me los te laten?”
“Jij moet helemaal nergens heen,” verzekerde Prometheus hem.
“Nou ja… die lever elke dag kwam me ondertussen toch mijn neus uit,” mompelde de grote vogel.
“Hercules gaat je vermoorden,” zei Prometheus rustig.
“Hoor eens, Prom… vriend… ouwe reus… je hoeft niet meteen kwaad te worden, hoor. Ik deed alleen mijn werk. Alle kraaien nog aan toe! Een vogel moet doen wat een vogel…”
Prometheus liet hem niet uitspreken. Hij kneep de keel van de vogel dicht. “Maar raad eens wat ik doe vóórdat Hercules je vermoord?”
“Eh… mijn lever opeten?” gokte de vogel.
Prometheus knikte.
“Nee joh, Prom! Dat smaakt smerig. Jakkes! Echt waar! Het is gewoon goor.”
“Dat kan wel zijn, Aad, maar vergeet één ding niet: niets smaakt zo zoet als wraak!”